Een iets lastigere variant van een lange sluitertijd is meetrekken, ook wel panning genoemd. Hierbij gebruik je geen sluitertijden van hele secondes of minuten, maar eerder 1/15 seconde. In plaats van je camera stil te houden, beweeg je juist mee met het onderwerp. Na wat oefenen zal je onderwerp scherp blijven, terwijl de achtergrond strepen vertoont. Leuke onderwerpen voor meetrekken zijn (race)auto's, rennende dieren of fietsers.

	Druk op de ontspanknop nadat de camera al is beginnen bewegen. 
	

Tips:

  1. ‘Meetrekken’ vereist een vaste hand en een vrij trage sluitertijd. De goede sluitertijd hangt af van de snelheid van je onderwerp. Hij zal trager moeten zijn dan 1/200es wanneer je onderwerp echt voorbijraast, en trager dan 1/40e s als je onderwerp een hardloper is.
  2. Hoe sneller je sluitertijd, hoe gemakkelijker je onderwerp scherp zal blijven. Begin te oefenen met een sluitertijd van 1/15 seconde. Heb je deze snelheid onder de knie? Dan kun je de snelheid verlagen naar 1/8 seconde.
  3. Hou je onderwerp in dezelfde plaats in je zoeker. Hierdoor zal het scherper blijven.
  4. Hoe sneller je onderwerp beweegt, hoe moeilijker het zal zijn om het mee te trekken.
  5. Draaien: Je moet exact even snel bewegen als je onderwerp. Draai je te snel of te langzaam, dan is je hele foto onscherp. Draai vanuit je heup met het onderwerp mee.
  6. En blijf je lichaam kantelen zelfs nadat je de foto genomen hebt. Anders wordt je foto alsnog onscherp.
  7. Structuur van de achtergrond: De achtergrond is van belang om daadwerkelijk de beweging te tonen. Zo geven bomen en gebouwen strepen, terwijl een egaal landschap weinig beweging toont.

Belangrijkste tip: amuseer u! En als het niet onmiddellijk lukt, geef het dan op…ik bedoel probeer gewoon opnieuw!

Om je succes op een scherpe foto te verhogen is het verstandig om in de continue-autofocus te fotograferen. Een monopod helpt om je camera stabieler te houden tijdens het meetrekken. Een statief is minder flexibel voor het meebewegen.

Beweging bevriezen

Veel sportfoto’s zijn gemaakt met een korte sluitertijd (1/250 seconde of korter). Daarmee ‘bevries’ je als het ware de beweging, je zet de beweging stil.

Om een hardloper in volle actie scherp af te beelden, heb je al een sluitertijd van 1/400 seconde nodig. Als je een langere sluitertijd gebruikt (dus bv. 1/125 seconde), dan worden de persoon misschien nog wel scherp weergegeven, maar dan zie je bewegingsonscherpte in de armen en benen.

Hoe sneller de beweging, hoe korter de sluitertijd moet zijn om scherpe foto’s te maken. Voor het vastleggen van een rijdende formule 1 racewagen heb je dus een hele snelle sluitertijd nodig. Gebruik de kortste sluitertijd die er op de camera is in te stellen.

De autofocus van de camera moet zo worden ingesteld, dat deze de beweging continu volgt. Bij Canon camera’s heet dit AI Focus, bij Nikon continuous focussing (zoek deze instelling eventueel op in de handleiding). Druk de ontspanknop half in, de autofocus zal dan gaan scherpstellen. Blijf de ontspanknop half ingedrukt houden terwijl de beweging verder gaat. De autofocus bepaalt zelf de snelheid van het onderwerp en kan dus bepalen waar het onderwerp zich over een bepaalde tijd bevindt. Als je dus even later afdrukt, zal de sporter scherp worden afgebeeld. Geef de camera de tijd om scherp te stellen, dus volg de beweging een tijdje (ca. 1 seconde) voordat je afdrukt.

Timing

Natuurlijk is ook de timing heel bepalend voor een sportfoto. Probeer af te drukken op het moment dat een beweging zijn uiterste stand heeft bereikt. Als je dit probeert en denkt ‘nu moet ik afdrukken’, zal blijken dat je vaak te laat bent en dat het juiste moment dan al voorbij is. Je moet dus eigenlijk net iets eerder afdrukken dan je denkt. Hoeveel eerder is afhankelijk van de snelheid van de beweging. Veel oefenen helpt om op het juiste moment af te drukken en het maken van de foto.

Materiaal

Een telelens is eigenlijk een must. Een lens met een brandpuntsafstand van 200 mm (of meer) zorgt ervoor dat je bijvoorbeeld een voetballer halverwege het veld nog wat dichterbij kunt halen. De afstand tot het onderwerp is toch vaak groter dan je denkt. Als je een middagje aan het sportveld met een telelens staat te fotograferen, wordt zo’n lens toch al gauw erg zwaar om te hanteren. Een éénpootstatief is daarom erg handig. Als de lens een statiefgondel heeft is dat perfect, dan kun je het statief daaronder schroeven. Het gewicht is dan beter verdeeld. Als de lens geen statiefgondel heeft, dan zet je het statief gewoon onder de camera. Je zult al snel merken dat je met een éénpootstatief veel comfortabeler fotografeert, terwijl je toch nog steeds in staat bent om de actie te volgen. Lichtsterke lenzen zijn aan te bevelen, maar daar hangt een prijskaartje aan. Met een lichtsterke lens kun je een klein diafragmagetal gebruiken (bv. 2.8 of 4), wat een prachtige onscherpte in de achtergrond geeft. Je kunt hiermee een sporter prachtig isoleren van de achtergrond en zo meer dynamische foto’s maken.

Maak een reclame poster voor een bepaald merk van auto, fiets of brommer.