Opdrachten: Fotografie

Neem van elkaar een foto, zorg dat de persoon 2/3 in beeld komt. Zet de camera in de P-stand (diafragma veranderen, sluimertijd verandert samen).

Je neemt dezelfde 4 foto's, je verzet telkens het diafragma van klein naar groot.

  • f 3,5 (grootste opening) = wazige achtergrond
  • f 11
  • f 22
  • f 32 (kleinste opening = voor- en achtergrond even scherp)
Neem foto's van bewegingen. Laat een leerling bewegen, met een lange sluitertijd gaat de persoon over in de achtergrond. Je bekomt er leuke resultaten mee.
Fotografeer je model vanuit verschillende standpunten: van onderuit (kikkerperspectief), van bovenaf (vogelperspectief). Je mag gerust wat overdrijven: héél hoog, héél laag, héél dicht. Zoek naar plaatsen in je buurt waar je hoger of lager dan je model kan staan: een trap, een boom, een terras, een stoel…
  1. Maak een paar foto’s in kikkerperspectief
  2. Maak een paar foto’s in foto’s met vogelperspectief
  3. Maak een paar foto’s in foto’s op ooghoogte
  4. En doe eens zot met diepte, speel met afstand,
Dien in totaal 4 portretfoto's in: 1 kikvorsperspectief, 1 vogelperspectief, 1 ooghoogte en 1 spelen met afstand.
Zoek naar spiegelende voorwerpen. Een echte spiegel kan, maar probeer ook eens iets anders. Vb. Plas, deurknop, lepel, kerstbal, raam, … Zoek je gezicht of dat van je model in de spiegeling. Maak een grappig of ernstig gezicht tot je tevreden bent over het beeld. Stel scherp op het gezicht en neem een foto. Wanneer je alleen bent, hou dan je fototoestel stabiel op de spiegeling gericht en kijk nu over je fototoestel zodat je je eigen gezicht ziet. Maak een foto.
Zet de flits van je camera af (tekentje = bliksem met een streep door). Zet je model voor een raam of de zon zodat het meeste licht naar je camera toe schijnt. Laat je model een houding aannemen van een… popster, een superheld, een dier, een danseres, een … Resultaat 1 foto: tegenlicht