Fotografie

Binnenkant van een spiegelreflexcamera: Surf naar  soorten camera's

Wat is metadata?

Metadata is de term voor alle onzichtbare informatie die in iedere foto aanwezig is. Denk bijvoorbeeld aan het merk en type camera waarmee je je foto maakt, de lens die je hiervoor gebruikt, sluitertijd, diafragma en ISO instellingen etc. Maar ook de datum en het tijdstip waarop je foto is gemaakt. Iedere foto die je maakt bevat informatie. Van digitale (spiegelreflex) camera’s tot foto’s van smartphones en tablets.

EXIF en IPTC format

EXIF (Exchangeable Image File Format) is het meestgebruikte format voor metadata. EXIF bevat voornamelijk de technische gegevens van de foto zoals het cameramodel, de belichtingstijd, diafragma, brandpuntsafstand, etc. Naast de technische gegevens kun je in de EXIF metadata ook de exacte datum en tijdstip achterhalen waarop de foto is gemaakt en kun je copyright gegevens toevoegen. Naast de EXIF gegevens heb je de IPTC (International Press Telecommunications Council) gegevens.

In tegenstelling tot EXIF geeft IPTC je geen kijkje in de technische maar kun je hier inhoudelijke informatie over je foto in kwijt. Denk hierbij aan de naam van de fotograaf, de locatie waarop de foto is gemaakt, trefwoorden en zoekwoorden waarop je de foto terug kunt vinden, etc. Een aantal van deze IPTC gegevens kunnen via je camera worden ingesteld, maar de meeste informatie voeg je later toe via specifieke software (bijvoorbeeld Adobe Camera Raw of Adobe Lightroom). Misschien heb je ook weleens een XMP bestand gezien? Dit bestandje voegt ook gegevens toe aan je foto (bijvoorbeeld bewerkingen van je ruwe beeld die je maakt in Camera RAW) maar wordt wat minder gebruikt dan de eerste twee formats die ik noemde.

Bekijk altijd de histogram die op het lcd-scherm verschijnt van de camera.

Wat is brandpuntafstand?

Opdracht: Afstand van het hoofdonderwerp

Visualiseren van de invloed van verschillende combinaties van voorwerpafstand en brandpuntsafstand. Plaats de 6 foto's in een Word-document en plaats onder elke foto de juiste f-punt (+ brandpuntafstand-diafragma) en afstand van het onderwerp (cm/meter). Voorbeeld:
  • foto 1: f/18 mm en 50 cm afstand
  • foto 2: f/90 mm op 2,5 meter.
Maak duidelijk wat je favoriete foto is en waarom je dit het beste vind. Upload naar Smartschool in de map taak 1 bij fotografie.

Conclusie

Door op een grotere afstand verder ingezoomd een onderwerp te fotograferen, voorkomt u vertekening door een groothoeklens (perspectief) en wordt het hoofdonderwerp minder verstoord door de achtergrond. Bij portretfoto's levert een brandpunt tussen 7 en 200 mm het meest natuurlijke resultaat.

Principe van belichting

Invloed van de helderheid van de achtergrond

In de meeste gevallen staat de lichtmeting van de camera op Matrix- of Meervlaksmeting. De lichtverdeling en helderheid van het hele kader wordt dan in de lichtmeting betrokken. De helderheid van de achtergrond heeft dan sterke invloed op de belichting van het hoofdonderwerp.

Opdracht: Belichting

Voorbeeld Indesign-document: opdracht 2: Belichting

Doel

Toon de invloed van de helderheid op de belichting van het hoofdonderwerp met een witten en zwarte achtergrond.

uitvoering

  • Plaats een voorwerp met gemiddelde helderheid (oranje, groen) ter grootte van een blikje voor een zwarte achtergrond.
  • Zet de camera bij voorkeur op statief en kader het voorwerp alleen omgeven is door de zwarte achtergrond.
  • Kies als lichtmeetmethode Matrix- of  Meervlaksmeting
  • Zet de camera in de AV-stand met f/5,6 (diafragma) en verhoog desgewenst de ISO, zodat de sluitertijd korter is dan 1/40sec.
  • Maak de opname en let op de sluitertijd.
  • Gebruik vervolgens een witte achter- en ondergrond.
  • Maak weer een opname en merk dat de sluitertijd korter zal zijn.

Conclussie

Omdat de witte achtergrond veel licht reflecteert, zal de camera sluitertijd en diafragma knijpen om aan het 50 % principe te voldoen en wordt het onderwerp relatief donker. Bij de donkere achtergrond is dat precies andersom en zal de camera met een lange sluitertijd relatief veel licht doorlaten en kan het hoofdonderwerp overbelicht raken. Om dit probleem op te lossen moet u bij een witte achtergrond de foto dus iets overbelichten (+ 1 Ev) voor het beste resultaat. Bij een zwarte achtergrond juist onderbelichten (-1 Ev).  

Wat is een diafragma?

Een diafragma zit in de lens of het objectief. Het is een variabele opening in de lens.

Hoe kleiner de lensopening, hoe minder licht. Lensopeningen worden eveneens weergegeven in standaardgetallen. Belangrijk hier is dat het kleinste getal voor de grootste lensopening staat en het grootste getal voor de kleinste lensopening.

Wat de schrijfwijze betreft: sommige camera’s laten de diafragma-opening voorafgaan door een f. Lensopeningen worden ook f-stops genoemd.

Invloed van het diafragma

De grootte van het diafragma beïnvloedt de scherptediepte van je foto. De scherptediepte is het gebied op je foto waarin alles nog scherp wordt weergegeven. Een kleine opening (of hoge waarde) zorgt voor een grote scherptediepte. Een grote opening (of lage waarde) zorgt voor een kleine scherptediepte.

Dus:

  • klein getal = kleine scherptediepte maar grote opening
  • groot getal = grote scherptediepte maar kleine opening
Een foto wordt genomen door licht op de sensor te laten vallen. De sensor is altijd afgedekt door 2 luikjes. Bij het nemen van de foto gaan de luikjes open en valt er licht op de sensor. De tijd waarin het licht op de sensor valt, wordt sluitertijd genoemd. Deze sluitertijd wordt uitgedrukt in seconden. De sluitertijd wordt uitgedrukt in een reeks, deze reeks is voor elke camera hetzelfde, ongeacht het merk of het model: Belangrijk is de schrijfwijze die je camera gebruikt. Zo wordt 1/15 seconden soms weergegeven als 15 en 1/30 als 30. De hele seconden verschijnen met dubbele streepjes, zo wordt 1 seconde weergegeven als 1”, 2 seconden als 2” enz.… Vergis je dus niet: 15 betekent eigenlijk 1/15 van een seconde en niet 15 volle seconden! Wat wel verschilt per merk camera en model, is het bereik van de reeks. Zo zullen sommige camera’s sluitertijden aankunnen van 30 seconden (!) tot 1/8000.

Invloed van de sluitertijd

Hoe langer de sluitertijd, hoe meer licht er op de sensor valt. Zo zal je camera als je een foto maakt als het donker is een langere sluitertijd kiezen dan als je dezelfde foto overdag neemt. Nu duiken er in verband met de sluitertijd 2 problemen op:
  • Hoe langer de sluitertijd, hoe moeilijker het wordt om je camera stil te houden, met als gevolg een onscherpe foto. In dat geval kan je beter gebruik maken van een statief.
  • Een tweede probleem ontstaat als je beweging fotografeert. Snel bewegende onderwerpen (zoals een rijdende auto, spelende kinderen, lopende dieren…) vragen om een korte sluitertijd, anders wordt de beweging onscherp weergegeven tegen een scherpe achtergrond.

Een foto heeft altijd een sluitertijd en een diafragma. Sluitertijd en diafragma verhouden zich omgekeerd evenredig. Hoe meer licht door de lens valt, hoe kleiner de sluitertijd wordt. Als je de lensopening verdubbelt, dan heb je slechts de helft van de tijd nodig om een even grote hoeveelheid licht te bekomen. Om dat duidelijk te maken kan je denken aan een emmer water. We willen de emmer vol water laten lopen. Zetten we de kraan wagenwijd open is de emmer sneller gevuld dan als we de kraan maar half open zetten. De volle emmer staat dan voor de hoeveelheid licht nodig om de foto goed te belichten, de kraanopening komt overeen met je lensopening, de sluitertijd komt overeen met de tijd nodig om de emmer vol te laten lopen.

Grote lensopeningen zorgen voor kortere sluitertijden en omgekeerd. Kiest de camera een lange sluitertijd, dan zal de lensopening kleiner zijn dan bij een korte sluitertijd. Of ga je voor een groot diafragma, krijg je kortere sluitertijden.

Kleurzweem

https://www.youtube.com/watch?v=D75cE22IVFk https://www.youtube.com/watch?v=G7UC4OA1sPU

OPDRACHT: kleur en witbalans

DOEL

Visualiseren de invloed voor contrast en verzadiging op de camera op de kleuren en het detail van je onderwerp.

UITVOERING

  • Kies een kleurrijk onderwerp met veel detail, zoals een bloem.
  • Zet de camera bij voorkeur op statief en kader zodanig dat het voorwerp een groot deel van het kader vult.
  • Zet de camera op de P-stand en maak een proefopname om de belichting te controleren (Histogram). Pas de belichting desgewenst aan met de belichtingscompensatie.
  • Kijk in de handleiding van de camera hoe u het contrast en de verzadiging kunt instellen.
  • Maak een opname met standaard contrast en-verzadiging.
  • Maak een opname met verhoogd contrast en standaard verzadiging.
  • Maak een opname met standaard contrast en verhoogde verzadiging.
  • Maak een opname met verhoogd contrast en verhoogde verzadiging.
  • Maak een opname met verlaagde contrast en verlaagde verzadiging.
Vergelijk de vijf foto's op de computer en let goed op detail en clipping van kleuren en helderheid.

CONCLUSSIE

Wanneer verlies je detail? Bij verhoging of verlaging van contrast en/of verzadiging?

Oorzaken onscherpte

onscherpte van een foto kan op veel manieren ontstaan, maar de oorzaken zijn in te delen in vier groepen.
  • Problemen met de autofocus. Handmatig instellen.
  • Beweging van de camera.
  • Beweging van het onderwerp.
  • Kwaliteit van de lens.

Problemen met de autofocus (AF)

Dat een camera zelf scherp stelt als de ontspanner half wordt ingedrukt, is voor de meeste fotografen vanzelfsprekend. De uitvinding van de autofocus is dan ook een geweldige sprong voorwaarts. Er zijn soms momenten dat de autofocus het laat afweten. Contrast Vergelijk de bolling van de lens met een vergrootglas. U moet het vergrootglas naar u toe halen of van u vandaan houden om de letters goed te kunnen lezen. Dit principe werkt prima, het gaat echter mis als er te weinig contrast is in het fotograferen onderwerp. Dit is allereerst het geval als er te weinig licht is. Omdat de camera geen contrast ziet, blijft het scherpstel mechanisme onrustig heen en weer bewegen. Door het onderwerp beter te belichten kan dit probleem opgelost worden. Een andere reden voor weinig contrast is een uniforme kleur van een glad oppervlak. Tip: Stel scherp op het contrastrijke onderwerp door de ontspanner half in te drukken. Draai de camera zodanig dat het gewenste, contrastarme onderwerp in het kader van de zoeker staat en druk dan de ontspanner door. In 9 van de 10 gevallen zal het onderwerp nu wel scherp zijn. https://www.youtube.com/watch?v=1F75fL7JTXQ

Scherptediepte wordt dus bepaald door:

1. De diafragma opening: hoe groter de opening, hoe kleiner de scherptediepte. Een groot diafragmabereik zorgt voor een groter verschil in scherptediepte, tussen de grootste en de kleinste opening.

2. De grootte van de sensor: hoe groter de sensor, hoe kleiner de scherptediepte

3. De scherpstelafstand: is het onderwerp waarop je scherpstelt dichtbij, dan krijg je een kleinere scherptediepte, dan als je scherpstelt op een ver onderwerp.

Betere foto's nemen met diafragma, sluitertijd en ISO

In deze video gids ik je op minder dan tien minuten door drie basisbegrippen voor de beginnende fotograaf: diafragma, sluitertijd en ISO. Als je die drie in balans brengt op je fototoestel neem je veel mooiere foto's dan in de 'auto-stand'. Zo haal je véél meer uit die (instap)reflexcamera. Bekijk deze film.

Diafragmavoorkeuze versus sluitertijdvoorkeuze De keuze lijkt simpel. Is de scherptediepte belangrijk, kies je voor de stand diafragmavoorkeur. Wil je beweging fotograferen, kies je voor sluitertijdvoorkeur.

Laten we nog eens kijken naar de sluitertijdreeks en de diafragmareeks:

Je ziet dat de sluitertijdreeks veel uitgebreider is dan de diafragmareeks.

Stel dat bij een diafragmawaarde van 8, de camera voor een sluitertijd van 1/500 kiest. Als je minder scherptediepte wilt, moet je een groter diafragma kiezen. Zonder probleem heeft de camera nog genoeg sluitertijden om goed te blijven belichten. Wil je meer scherptediepte, dan beschikt de camera eveneens genoeg sluitertijden om het verlies aan licht door het kleinere diafragma goed op te vangen.

Maar stel nu dat we in de sluitertijdvoorkeur staan. Wil je langere sluitertijden, dan zal op een gegeven moment de foto overbelicht worden, omdat de camera geen diafragma’s heeft, klein genoeg om de grotere hoeveelheid licht te compenseren. Of omgekeerd, je kan super korte sluitertijden kiezen, maar de camera heeft geen diafragma’s groot genoeg om het verlies aan licht op te vangen.

De kans dat je overbelichting of onderbelichting krijgt is dus groter in de sluitertijdvoorkeur dan in de diafragmavoorkeur. Werken in de diafragmavoorkeur heeft dus meer voordeel dan werken in de sluitertijdvoorkeur.

Vergeet niet dat in de diafragmavoorkeur, de sluitertijd automatisch aangepast wordt, als je het diafragma of de ISO wijzigt. Door de 2 laatste te wijzigen, kan je net zo goed de gewenste sluitertijd bekomen.

Een hogere ISO kiezen heeft wel gevolgen. Hoe hoger de ISO hoe korreliger je beeld, je krijgt meer ruis. In het Engels noemt dat noise. Om de korrel goed te zien, moet je wel flink inzoomen, vaak valt het verschil pas op als je de foto op ware grootte plaatst. De tolerantie voor ruis is persoonlijk, de ene fotograaf stoort zich minder aan ruis dan de andere. Ook het soort foto’s speelt een rol. Zwart-wit foto’s, portretten… kunnen meer korrel aan dan landschapsfoto’s. Als je afdrukt op mat papier valt korrel minder op dan bij afdruk op glanzend papier. De hoogste ISO waarden leveren over het algemeen wel een lelijke korrel, vooral bij compact-camera’s. Hoe hoog je wilt gaan, hangt af van je eigen smaak. Je kan de ISO waarden dus best zelf instellen. Dat kan enkel in de (semi-)manuele standen van je camera, in de scènes of de automatische stand zal de camera de ISO altijd zelf kiezen. En dat is net het grote nadeel van de scènes, de camera zal hier heel vaak voor één van de hoogste ISO-waarde kiezen. Sommige camera’s hebben de mogelijkheid om in de (semi-)manuele standen de hoogste ISO te bepalen. Kies je als hoogste ISO 800, zal de camera nooit een hogere ISO kiezen dan 800. Dat vindt je terug in de menu’s.