Geluid, en dus ook muziek, is in wezen niet meer dan het trillen van lucht (of vloeistoffen of andere materialen) door drukveranderingen. We kunnen geluid voorstellen als een golf met pieken en dalen. De hoogte van een golf of de amplitude bepaalt het volume.

Geluid beweegt = Geluid is trillende lucht

Door dit proefje kun je zien dat geluid de lucht laat trillen.

 

Geluid is er altijd, en overal. Net als lucht. Toeval? Ik dacht het niet. Het geluid dat we horen is namelijk lucht die beweegt, of eigenlijk: lucht die trilt.

Ik zal het laten zien: dit plastic is heel strak over de schaal gespannen. Als ik er nou eens muziek bij aanzet? Zie je? De box maakt geluid en trilt. Daardoor gaat de lucht trillen en het geluid komt hier bij het plastic. Het plastic gaat meebewegen met de lucht eromheen en daarom danst de suiker op de muziek! Als ik het geluid nou uitzet, dan stopt de suiker ook met dansen.

Wanneer een pianist een toets heel hard aanslaat, produceert de piano vervolgens een geluidsgolf met een hoge amplitude. Muziek bestaat uit het achter elkaar plaatsen van verschillende tonen in een patroon.

Hoge tonen herkennen we in een geluidsgolf door een hogere frequentie d.w.z. meer golfjes binnen een bepaalde tijd. Hoe lager de frequentie of het aantal golfjes, hoe lager de toon.

In de natuurkunde wordt de frequentie weergegeven in het aantal trillingen of oscillaties per seconde, uitgedrukt in Hertz of Hz.