Bij een springbeweging van bijvoorbeeld een bal is het belangrijk dat de massa niet stijf blijft.

Maak gebruik van vertraging of versnelling in een beweging (slowing in, slowing out). Kies bij bewegingen voor de optie ease in/out.

Bij de positie van een wandelbeweging hou je rekening met het volgende:

  • Down: het personage is wat doorgezakt.
  • Contact: het personage raakt de grond met zijn hiel.
  • Up: het personage ‘strekt’ zich.

Overlapping: Niet alles gebeurt met andere woorden gelijktijdig. Bijvoorbeeld: het hoofd draait, de schouders volgen even later... Dit maakt de beweging minder ‘robotachtig.

Tijd: Teken geen 24 objecten op 1 seconde, maar 12 objecten (om de 2 frames) dit oogt vloeiender.